Inclusieve ontwikkelplekken voor kinderen tussen de 4 en 6 jaar

Esther van den Broeke over Onderwijszorggroepen op reguliere scholen

Ruim 250 Amsterdamse kinderen tussen de 2 en 6 jaar staan op de wachtlijst voor een plek op een Kinderdienstcentrum (KDC), Orthopedagogisch Dagcentrum (ODC) of een SO-school. Dat betekent op dit moment (januari 2026) dat zij 3 tot 5 jaar moeten wachten tot er daadwerkelijk een plekje is waar ze zich te kunnen ontwikkelen. Tot die tijd zitten de kinderen vaak thuis, sociaal geïsoleerd, afgesneden van andere kinderen, met alle gevolgen voor hun ontwikkeling van dien. Daarnaast raken ouders vaak ook overbelast en moeten bijvoorbeeld stoppen met werken.

 “Het is niet oké dat kinderen van 4 tot 6 jaar zo lang moeten wachten op een plek waar ze zich wél kunnen ontwikkelen”, zegt Esther van den Broeke, projectleider van de Onderwijszorggroepen (OZG’s) die nu op zo’n twaalf plekken in de stad worden opgezet, met als doel in 2026 te komen tot twintig plekken. Op een OZG werken een leerkracht uit het SO en een jeugdzorgmedewerker (van Cordaan of Philadelphia) samen in een groep op een reguliere school in de buurt van waar de kinderen wonen, waar ze (op dit moment) drie dagen per week een ontwikkelprogramma krijgen aangeboden. De kinderen staan zowel ingeschreven op de SO-school, die daarvoor een basisbekostiging ontvangt, als bij de aanvullende jeugdhulp. De kinderen vallen onder de experimenteerregeling OZA. “Als de kinderen op de OZG starten, wil dat niet zeggen dat deze kinderen niet alsnog kunnen instromen in het onderwijs. We zien dat ook al gebeuren”, zegt Esther. Wat ze verder wil benadrukken is dat het niet gaat om een tussenvoorziening: “Deze kinderen gaan in principe niet meer naar een KDC. Als ze zich goed op hun plek voelen, blijven ze in een OZG totdat ze 12 jaar zijn.”

Financiering vanuit zorg en onderwijs

OZG’s hebben vele voordelen: kinderen komen weer in aanraking met andere kinderen, doen mee aan gezamenlijke activiteiten en gaan weer naar school, in hun eigen buurt, waar ze zich kunnen ontwikkelen onder begeleiding van daarvoor opgeleide professionals. Een OZG-plek is goedkoper dan een plek op een KDC. Toch is het ingewikkeld de financiering rond te krijgen. Esther van den Broeke: “We maken gebruik van een incidentele middelen en een combinatie van gelden vanuit de zorg en vanuit het onderwijs. Dit past (nog) niet goed binnen de huidige systemen. Maar we gaan hier als maatschappij wel naar op weg: inclusieve leer- en ontwikkelplekken voor alle kinderen, zo dicht mogelijk bij waar ze wonen.”

Bij de organisatie van een OZG komt veel kijken. Een KDC beschikt over allerlei faciliteiten waarover een reguliere school niet beschikt – zoals een ruimte om kinderen te kunnen verschonen of een ruimte om te kunnen rusten – en ook is er allerlei behandeling toegevoegd aan een KDC, zoals bijvoorbeeld fysiotherapie en logopedie, die op een reguliere school apart georganiseerd moet worden. Of denk aan een lift: vele scholen hebben verdiepingen die zonder lift niet goed te bereiken zijn voor deze kinderen.

Een plek in de eigen buurt

Ook voor ouders heeft een plek in een OZG voor- en nadelen. Op een KDC zijn de kinderen fulltime onder dak, 48 weken per jaar. Een OZG volgt de schoolvakanties en de schooltijden, en is nu beschikbaar voor drie dagen per week. Hopelijk worden dat op termijn meer dagen. Als ouder moet je je kind halen en brengen en de overige dagen zelf voor je kind zorgen. Daar staat tegenover dat je kind een plek heeft in de eigen buurt: een plek waar je kind zich ontwikkelen kan en een schoolomgeving waar jij als ouder onderdeel van bent.  

Naast de drie dagen OZG wordt ook ingezet op ouderbetrokkenheid, bijvoorbeeld door ouders samen met hun kind te laten spelen bij inclusieve speeltuinen of bij de Ontdekplek, die speciaal open is voor kinderen van de OZG, en door koffieochtenden op school te organiseren om ouders met elkaar in contact te brengen. Ook een bijkomend voordeel is dat eventuele broertjes en zusjes ook naar die school in de buurt kunnen.

‘Het gaat om kinderen die ons versteld kunnen doen staan, maar die ook gedrag kunnen vertonen waar we binnen het reguliere onderwijs niet aan gewend zijn.’

“Ideaal is het nog niet, maar een OZG is een belangrijke stap voor deze groep kinderen”, zegt Esther van den Broeke. “Het ideaal zou zijn als er in elke wijk een school zou staan waarin zorg en onderwijs worden gecombineerd, afhankelijk van de behoefte van het kind en waarin deze kinderen er ook gewoon mogen zijn, en mee kunnen doen als elk ander schoolkind. Het gaat om kinderen die ons versteld kunnen doen staan, maar die ook gedrag kunnen vertonen waar we binnen het reguliere onderwijs niet aan gewend zijn. Dat vraagt van ons een andere manier van werken: meer vraaggericht, vanuit wat deze kinderen nodig hebben, zodat we deze kinderen ook een kans op school bieden. Dat is de uitdaging die we aangaan op weg naar inclusief onderwijs.”

Monitoring OZG door Onderzoeksbureau EMMA

Of de OZG’s het gewenste effect gaan hebben – een goede ontwikkelplek bieden aan alle Amsterdamse kinderen die nu thuiszitten vanwege een wachtlijst voor het SO of een KDC – gaat Onderzoeksbureau EMMA monitoren. Dat doen ze zowel kwantitatief (hoeveel kinderen worden hiermee geholpen, en leidt het daadwerkelijk tot minder thuiszitters?) als kwalitatief, met vragen als: komen kinderen op een OZG inderdaad tot ontwikkeling, en draagt een OZG bij aan een inclusiever schoolklimaat? “Daarnaast”, vertelt senior onderzoeker Mary van den Wijngaart, “is het doel ook om input te verzamelen om van te leren, zodat de aanpak kan worden bijgesteld wanneer dat nodig blijkt.” 

“Voor het kwalitatieve onderzoek houden we diepte-interviews met de coördinator op school en de groepsmedewerkers. We willen weten wat hun ervaringen zijn, wat ze zien gebeuren? Ervaren de kinderen en ouders het als een veilige plek? Hoe is het voor hen als professional om te werken in een groep als deze op een reguliere school? Waar loop je tegenaan?”

EMMA heeft zes groepen uitgekozen om te volgen: drie OZG’s en drie KZG’s (Kinderopvang-Zorggroepen). Het onderzoek vindt op twee momenten plaats: in maart en juni, waarna de rapportage volgt in september. Deze meting geldt dan als beginmeting, als T=0 in vaktermen. Daarna is het de bedoeling de OZG’s meerdere jaren te kunnen volgen om zo goed antwoord te kunnen even op de vraag of een OZG inderdaad een inclusieve ontwikkelplek is voor kinderen.

Deel deze pagina:

Nienke Smit van Stichting Samen is niet alleen en Ron Bushoff van West Beweegt over hun ervaringen